Ga naar de inhoud
Zeilvertrouwen

Les en training geven

Lesvoorbereiding

Je weet waar je deelnemers staan (stap 1) en waar je met ze naartoe wilt (stap 2). In stap 3 van het model van Van Gelder maak je daar een les van. Een goede voorbereiding hoeft geen dik document te zijn, maar je moet wel drie vragen kunnen beantwoorden voordat je het water op gaat: wat, hoe en waar let ik op.

Wat, hoe en aandachtspunten

Wat gaat over het doel van het lesmoment. Wat wil je dat iemand na dit moment kan of begrijpt? Hoe concreter, hoe beter. "Leren gijpen" is een onderwerp, "gecontroleerd gijpen zonder dat de giek ongecontroleerd overkomt" is een doel.

Hoe gaat over de aanpak. Welke setting moet je creëren zodat het lesmoment kan plaatsvinden? Welke oefening bedenk je, welke opbouw zit erin en wat heb je daarvoor nodig, bijvoorbeeld boeien of een rustig stuk water?

Aandachtspunten gaan over jezelf. Wat doe jij op het moment van het lesmoment om het gewenste inzicht bij de deelnemer te laten ontstaan? Waar lig je, waar let je op, wat zeg je, en vooral ook wat zeg je niet?

Een oefening organiseren is nog geen les

De meest gemaakte fout die ik bij instructeurs in opleiding zie: ze organiseren een oefening en hopen dat het leren vanzelf gaat. Als ze maar vaak genoeg gijpen, dan leren ze het wel. Zo werkt het helaas niet.

Het geheim is dat je deelnemers voortdurend rond laat varen met een haalbare uitdaging. Een uitdaging waar ze hun best voor moeten doen en die ze een paar keer moeten proberen, maar die dan ook echt lukt. Is de uitdaging te groot, dan haken ze af. Is hij te klein, dan wordt het saai en haken ze ook af. Daartussen ligt de zone waarin het leren het hardst gaat, en waarin zeilen het leukst is. Dit is de Flow-theorie in de praktijk, en het sluit aan op het bepalen van het juiste uitdagingsniveau.

Grafiek met uitdaging tegen vaardigheid: boven het flow-kanaal is het te moeilijk, eronder te makkelijk
Blijf met je opbouw in het kanaal van de haalbare uitdaging: steeds een stapje verder.

Dat betekent dat er in je les een duidelijke opbouw moet zitten die gegarandeerd tot succes leidt, en dat je per deelnemer de uitdaging net een stapje kunt verzwaren of verlichten.

Waar lig jij?

De plek waar jij met je bijboot, rib of vlot ligt, is cruciaal. Wil je iemand leren gijpen en lig je precies op het punt waar de gijp gebeurt, dan ben je te laat. Iemand die iets nieuws leert, is op dat moment met zoveel tegelijk bezig dat er geen ruimte is voor jouw instructie.

Bereid deelnemers daarom ruim voor dat punt voor op wat er komen gaat, zodat ze op het moment zelf de juiste dingen kunnen doen. Gaat dat goed en raken de handelingen geautomatiseerd, dan ontstaat er ruimte voor de puntjes op de i, op het moment zelf. En gaat dat ook goed, dan schuif je op naar voorbij het lesmoment. Daar laat je de deelnemer zelf vertellen wat er goed ging en wat nog beter kan.

Bovenaanzicht van een gijp om een boei met drie posities van de instructeur
Naarmate het beter gaat, schuif je op: van ruim vóór het lesmoment, naar het moment zelf, naar voorbij het moment. De deelnemers varen steeds onder je langs, uit de buurt van je ankerlijn.

Lig je met je bijboot of rib voor anker, denk dan ook aan je ankerlijn. Een boot voor anker ligt met de kop in de wind, dus de ankerlijn loopt van jou weg naar bovenwinds. Kies je plek daarom zo dat de deelnemers steeds onder je langs varen, aan de benedenwindse kant. Dan raken ze niet in de war met hun zwaard en jouw ankerlijn, en houden ze hun aandacht bij het lesmoment.

Uitleg: kort, op het water en één ding tegelijk

Theorie aan de wal, vooraf of achteraf, werkt bij zeillessen nauwelijks. Vooral jongere deelnemers lukt het niet om een theoretisch verhaal te vertalen naar wat ze straks op het water moeten doen. Een korte uitleg op het water werkt wel, mits ze het direct daarna kunnen ervaren of uitproberen.

Op het water zijn je instructies daarom altijd:

  • kort en krachtig,
  • één ding tegelijk,
  • op het juiste uitdagingsniveau.

Bij oudere deelnemers of op hoger niveau kan het wel interessant zijn om op de wal, of tijdens een rustig moment, dieper over de theorie na te denken, zoals die ook op deze site staat. Maar altijd met één doel: meer inzicht in wat er op het water gebeurt.

Alles begint bij de wind

Hoe deel je de leerstof op in kleine stappen? Het begint altijd bij de wind. Aan windbesef kun je al werken op het moment dat de deelnemers komen aanlopen. Waar komt de wind vandaan? Je kunt ernaartoe draaien, je kunt ervan af draaien en je kunt er op twee manieren doorheen draaien. Dat is de allereerste basis, en eigenlijk gaat de rest van de opleiding steeds over diezelfde bewegingen.

Praat daarom als instructeur niet over de stand van het roer of over links of rechts van een boei. Dan is er weer een kostbaar lesmoment verloren. Praat altijd over naar de wind toe draaien en van de wind af draaien. Hoe de deelnemer dat voor elkaar krijgt, mag hij zelf ontdekken en snappen.

Boot met pijlen naar de wind toe, van de wind af, overstag en gijpen
De vier bewegingen ten opzichte van de wind: daar gaat de hele opleiding over.

Daarna gaat de les steeds over hoe je dat optimaliseert voor het doel. Wil je langzaam of snel? Dat bepaalt de stand van je zeilen. Die basis pas je vervolgens toe op elke manoeuvre:

  1. harder en zachter varen,
  2. oploeven en afvallen,
  3. overstag gaan,
  4. opkruisen: aan de wind en overstag gaan gecombineerd om tegen de wind in te komen,
  5. gijpen.

Aanleggen aan hogerwal komt eigenlijk continu terug en hoort al aan bod te zijn geweest bij het harder en zachter varen. Pas daarna komen de bijzondere verrichtingen, zoals man-over-boord, aanleggen aan lagerwal en achteruit varen.

Altijd een plan B

Heb voor elke situatie een alternatief klaar. Het weer kan je overvallen, maar met een goed alternatief leidt dat nooit tot problemen.

Wees tegelijk niet te voorzichtig. Harde wind kan juist een perfect lesmoment zijn om daarmee te leren omgaan. Een deelnemer die dat goed doorstaan heeft, krijgt daar echt vertrouwen van, veel meer dan als je het uit de weg gaat. Bereid elk lesmoment daarom ook voor op meer wind. Daar is de les uiteindelijk voor: dat je je ook redt als het uitdagender wordt. Anders leiden we alleen mooi-weer-zeilers op.

Houd daarbij wel steeds het uitdagingsniveau in de gaten. Het kost veel tijd om iemand die bang is geworden weer gerust te stellen, zodat hij opnieuw openstaat om te leren. Dat iemand het eng vindt als de boot schuin gaat, is bijna altijd het gevolg van onvoldoende voorbereiding op die situatie. Laat vooral kinderen spelenderwijs wennen aan de bewegingen van de boot. Leer ze dat omslaan erbij hoort en dat er niets ergs gebeurt als het een keer gebeurt, en laat ze ontdekken wat ze kunnen doen om het te voorkomen. Zo krijgen deelnemers het juiste zeilvertrouwen.

Verschillen per boottype

De basis van een goede voorbereiding is voor elke boot hetzelfde. Het grote verschil zit in lesgeven op afstand, wat vele malen uitdagender is dan lesgeven aan boord, waar je zelf nog kunt ingrijpen.

  • Optimist en jeugd: zorg voor een situatie waarin de deelnemers regelmatig langs jouw lesmoment komen. Dat is het doel, niet de baan die ze varen. Ingewikkelde banen leiden vooral af van waar het werkelijk om gaat.
Links een ingewikkelde baan, rechts een eenvoudig rondje dat langs de instructeur komt
Bij jeugd draait het om het lesmoment, niet om de baan.
  • Zwaardboten: die gaan vaak veel harder en hebben veel meer ruimte nodig. Deze deelnemers moeten vooral zelf kunnen beoordelen of iets goed gaat, het vaak herhalen en dan weer bij jou terugkomen voor de evaluatie. Zijn ze voor elk oordeel afhankelijk van de instructeur, dan zit er te veel vertraging in de feedback en is het leren niet optimaal.
  • Kielboten: hier geef je vaak les aan boord. Op hoger niveau is het sterk aan te raden om ook met een kielboot regelmatig op afstand les te geven. Deelnemers die ervaren dat ze het echt zelf kunnen, krijgen daar veel meer vertrouwen van, en daar leid je ze uiteindelijk voor op.

Een voorbeeld van een lesvoorbereiding volgens wat, hoe en aandachtspunten:

Lesmoment: gijpen (zwaardboot, beginners)
WatDe deelnemer kan gecontroleerd gijpen: hij weet wanneer de giek overkomt en begeleidt hem.
HoeTwee boeien op ruime afstand voor de wind, eerst ruime koers, dan steeds verder afvallen tot de giek overkomt. Rib in de buurt van het draaipunt maar ruim ervoor. Plan B bij meer wind: eerst alleen ver afvallen zonder te gijpen.
AandachtspuntenRuim vóór het draaipunt één aandachtspunt meegeven ("kijk naar het achterlijk"). Op het moment zelf niets zeggen. Na een paar keer de deelnemer zelf laten vertellen wat er gebeurde.
Onderdeel 10 van 10