Ga naar de inhoud
Zeilvertrouwen

Les en training geven / Didactische werkvormen

Werkvormen: Optimist

Werkvormen voor jeugd in de Optimist, per niveau. Lees eerst de algemene principes bij Didactische werkvormen, zoals het verschil tussen leren op inzicht en automatiseren.

Niveau 1

Op niveau 1 zijn de deelnemers meestal een jaar of zes tot negen en nog helemaal nieuw. Alles is spannend. Het belangrijkste doel van de eerste dagen: de basishandelingen zo snel mogelijk laten automatiseren, windbesef laten ontstaan en zorgen dat het eerste moment op het water lukt.

Waar komt de wind vandaan?

Doel: windbesef, nog voordat ze in de boot zitten.

Opzet: gebruik de momenten waarop je toch even de tijd moet doden, op de kant of in de bijboot op weg naar het vlot. Stel vragen en laat de kinderen nadenken. Kun je de wind voelen? Kun je hem ook zien? En kun je er dan ook de richting uit halen? Ze gaan van alles noemen:

  • blaadjes aan de bomen: die zie je wel bewegen, maar ze geven geen duidelijke richting;
  • een vlag: dat is al beter;
  • golfjes op het water: klopt.

Spel: laat ze de ogen dichtdoen en met hun gezicht voelen waar de wind vandaan komt. Iedereen draait zich met het gezicht naar de wind. Doen ze daarna de ogen open, dan zien ze dat iedereen een andere kant op kijkt. Wie kijkt de goede kant op? Laat de kinderen die het goed hadden uitleggen hoe ze het deden.

Aandachtspunt: met de ogen dicht zie je goed wie het al begrijpt en wie nog niet, zolang ze de ogen ook echt dicht hebben.

Droogoefenen

Doel: de basishandelingen automatiseren zonder de afleiding van het water.

Opzet: leg een Optimist op de kant of op het vlot en laat de kinderen er één voor één in.

  • Zitplek: zit altijd tegenover het zeil. Dan kun je er goed in kijken en houd je de boot recht. Niet achterin, want dan zit je jezelf in de weg en kun je het roer niet naar je toe halen.
  • Sturen: wat doet het roer?
  • Verzitten bij het door de wind gaan: soms komt het zeil over je hoofd en moet je draaien, maar je blijft naar voren kijken. Daarvoor pak je het roer achter je rug over. Dat gaan ze allemaal een keer doen.
  • De schoot erbij: daarna wordt het een stapje moeilijker, want nu komen ze in de knoop met de schoot. Ook die pakken ze achter hun rug over.

Zwaarder of lichter maken: begin met alleen het roer en voeg pas daarna de schoot toe.

Aandachtspunten: je ziet altijd kinderen die motorisch handig zijn en kinderen die dat minder zijn. Geef vooral die laatste groep de tijd om het op het droge een paar keer goed te doen.

Klaar voor het water? Pas als een kind:

  • kan uitleggen waarom de goede plek de goede plek is,
  • kan sturen,
  • en van de ene naar de andere kant kan verzitten zonder roer of schoot los te laten.

Lukt het op het droge nog niet, dan gaat het op het water zeker niet lukken. Daar is veel te veel afleiding.

Op hogere niveaus doe je precies hetzelfde opnieuw zodra er iets nieuws bijkomt, zoals de helmstokverlenger of op de rand zitten. Dat moet eerst op het droge goed gaan.

Sturen in een sleepje

Doel: voelen wat het roer doet.

Opzet: sleep de Optimisten zonder zeil achter de bijboot. De kinderen hoeven alleen te sturen.

Bijboot sleept drie Optimisten zonder zeil; een kind stuurt naar de wind toe
Zonder zeil, alleen sturen. "Stuur maar naar de wind toe!" Vertel waar ze heen moeten, niet wat ze met het roer moeten doen.

Aandachtspunt: sturen leer je door te vertellen waar ze heen moeten sturen, niet wat ze met het roer moeten doen. Net als bij fietsen. Daar zeg je ook niet dat ze hun stuur naar links moeten doen. Gebruik daarbij meteen de wind: "stuur maar naar de wind toe" of "stuur maar van de wind af". Zo oefenen ze tegelijk hun windbesef.

Weer op gang komen als je stilligt

Doel: weten wat je moet doen als het even misgaat. In het begin gaat het namelijk de hele tijd mis.

Opzet: hier komt een vaste handeling bij kijken die altijd werkt. Als je stilligt, werkt het roer niet. Trek je zeil aan en houd je roer recht. De boot draait dan vanzelf een kant op en krijgt snelheid. Pas dan kun je weer sturen.

Drie stappen: stil in de wind, zeil aan en roer recht, snelheid en weer sturen
Eerst vaart, dan sturen.

Ook dit is net als op een fiets. Die maakt ook geen rondje als je aan het stuur draait met je voeten aan de grond.

De eerste keer het water op

Doel: het water op en weer terug, met een eerste ervaring die lukt.

Opzet: geef een simpele opdracht. Vaar met halve wind naar een boei, ga daar overstag en vaar weer terug. Kies bewust voor overstag en niet voor een gijp: een gijp gaat harder en wordt spannender gevonden, die komt later.

De voorbereiding is al op het vlot gebeurd. Leg je met de bijboot daarom bij de boei neer. Daar ben je een baken van vertrouwen voor als het misgaat bij de handelingen om de boei.

Halve wind vanaf het vlot naar een boei, overstag en terug, met de bijboot bij de boei voor anker
Eén duidelijke opdracht: halve wind, overstag om de boei en terug. De bijboot ligt bij de boei, bovenwinds voor anker.

Ze ervaren dan van alles tegelijk: wind, golven, schuin gaan, druk op het roer, druk in het zeil en klapperende zeilen.

Aandachtspunten:

  • Laat dat eerste moment lukken. Ze vinden het al heel spannend. Lukt het niet, dan ben je heel veel tijd kwijt om het vertrouwen terug te krijgen. Push dus niet te hard.
  • Kijken mag ook, voor sommige kinderen is dat een prima manier om te leren. Laat ze dan wel actief kijken, en geen spelletjes doen op het vlot. Laat ze uitleggen wat ze zien: wat doet iemand goed, wat gaat er mis?
  • Blijf niet alleen in de luwte. Dat is een gemiste kans, en het is ook niet altijd makkelijker, want in de luwte draait de wind veel. Verder op het water is de wind harder, maar de richting is duidelijker. Dat is een belangrijk focuspunt. Als ze moeten leren dat de wind steeds uit een andere richting komt, is dat meteen een complexe situatie.
  • Laat ze een vlaag ervaren als die er is. Daar zitten natuurlijk risico's aan. Kijk dus of het lukt om hun vertrouwen te winnen en ze goed voor te bereiden op een harde vlaag.

Schuin gaan en omslaan

Doel: ervaren dat de boot stabiel is en dat schuin gaan, en zelfs omslaan, minder eng is dan het lijkt. Het is goed voor het bootgevoel en om te voelen waar de grens ligt.

Wanneer: je kunt ervoor kiezen om het meteen aan het begin te doen. Dan heb je een belangrijke hobbel meteen genomen, en kinderen die bang zijn, zien soms in dat hun grootste angst wel meevalt. Maar omslaan en weer in de boot klimmen is intensief voor kleine kinderen, en vermoeide kinderen staan niet open om te leren. Doe het alleen als het warm is of als iedereen een goed pak aanheeft, zoals een surfpak of een droogpak. In een weekprogramma deed ik het vaak later in de week, op een moment met weinig wind en lekker warm weer.

Opzet: kijk of het ze lukt om de Optimist zelf om te krijgen. Met weinig wind blijkt dat nog niet eens zo makkelijk, en vooral kleinere, lichtere kinderen moeten flink hun best doen. Dat geeft vertrouwen: ze merken dat de boot best stabiel is. Daarna leg je ze uit hoe ze de boot weer rechtleggen, er weer instappen, hozen en verder varen.

Voor hele bange kinderen:

  1. Ga samen in de boot varen en laat ze ervaren dat de boot best schuin kan gaan. Dat is niet erg, want je kunt dan van alles doen om hem weer rechter te krijgen.
  2. Als uiterste middel kun je samen omslaan, maar nooit zonder hun toestemming. Maak het leuk: "Zullen we eens kijken wat er gebeurt als we omslaan?"
  3. Durven ze het en liggen ze in het water, maak er dan een feestje van. Je hebt een zwemvest aan, er is niks aan de hand. Daarna de boot weer rechtleggen, instappen, even hozen en weer door.

Rustiger opbouwen: wil je het rustiger aanpakken, begin dan met bootgevoel zonder zeil. Laat bijvoorbeeld de één peddelen terwijl de ander stuurt. Dat is meteen een goede oefening voor het noodgeval. Of dat past, hangt een beetje af van de leeftijd van de kinderen.

Niveau 2

Op niveau 2 draait alles om zelfstandigheid. De basis is gelegd, en nu leren de kinderen het zeilen echt zelf te doen.

Helmstokverlenger: eerst op het droge

Met de helmstokverlenger wordt sturen en verzitten opnieuw ingewikkeld. Pak het precies zo aan als bij het droogoefenen op niveau 1: eerst de handelingen op de kant oefenen en laten automatiseren. Hoe houd je de verlenger vast, hoe pak je hem over bij het verzitten, hoe combineer je hem met de schoot? Pas als dat goed gaat, ga je er echt mee varen. Op het water is er weer te veel afleiding om het daar nog te leren.

Maak van alles een oefening

Maak van elke handeling een oefening om het zelf te kunnen: de boot te water laten, optuigen, wegvaren, varen, aanleggen, afstappen en opruimen. Die zelfstandigheid geeft kinderen veel voldoening. Ze krijgen het gevoel dat ze echt niemand meer nodig hebben om te kunnen zeilen.

Aandachtspunt: neem zo min mogelijk taken van ze over, ook al gaat het sneller als jij het doet, of houd je er meer vaartijd door over. Elke taak die jij overneemt, is een gemiste kans op zelfstandigheid.

Een eerste stap richting wedstrijdzeilen

Op het water is beginnen met wedstrijdzeilen vaak een leuke verdieping van de basis. Een startje, een rondje om een paar boeien: het daagt uit om de basis beter en sneller toe te passen.

Aandachtspunt: de basis moet dan wel goed zitten. Zolang dat nog niet zo is, gaat de aandacht eerst daarnaartoe.

Niveau 3

Op niveau 3 mag je ervan uitgaan dat de basis voldoende zit: alle standaarden zijn bekend. Er zijn geen beperkingen meer als het gaat om begrip en inzicht in het zeilen. Daarom laat je de standaarden juist een beetje los, om te kijken hoe ver het inzicht van de deelnemers echt gaat.

Onderwerpen die op dit niveau aan bod komen:

De kunst is om al die ingewikkelde zaken zichtbaar, voelbaar en beleefbaar te maken. Twee voorbeelden.

De bolling zichtbaar maken

Doel: zien waar de bolling, en dus de kracht, in het zeil naartoe gaat als je het zeil trimt.

Opzet: leg het complete tuig, het zeil met mast en giek, plat op een verhoging, bijvoorbeeld een paar stoelen of kratten. Je moet goed bij de trimlijnen van het voorlijk en het onderlijk kunnen. Doe een laagje water in het zeil. Het water maakt de bolling en de plek ervan goed zichtbaar. Trek je vervolgens aan de trimlijnen, dan zie je het water, en dus de bolling, verplaatsen. Het water gaat naar de kant waar je spanning zet: trek je het voorlijk strakker, dan schuift de bolling richting het voorlijk.

Aandachtspunt: het zien is pas het begin. Het lesmoment moet uiteindelijk gaan over de vraag wat dat doet met de zeileigenschappen. Wat merk je op het water als de bolling naar voren of naar achteren schuift?

Optimist-tuig van bovenaf, plat op vier verhogingen, met water in de bolling en pijlen voor de trimlijnen van voorlijk en onderlijk
Het water laat zien waar de bolling zit. Zet je spanning op een lijk, dan schuift de bolling die kant op.

Voelen wat een zwaard doet

Doel: begrijpen waarom je een zwaard nodig hebt, en wanneer niet.

Opzet: neem het zwaard in je hand en trek het op verschillende manieren door het water. In de lengte glijdt het makkelijk, zo vaart de boot vooruit. Dwars voel je veel weerstand: zo vangt het zwaard de druk van opzij op. Dan voel je ook waarom je het op ruime koersen niet nodig hebt. Daar is er nauwelijks druk van opzij.

Zwaard van boven gezien: in de lengte door het water glijdt makkelijk, dwars geeft veel weerstand
Voel het zelf: in de lengte glijdt het, dwars houdt het tegen.
Onderdeel 9 van 10