Stap 1: Bepalen beginniveau

Hoofdstuk vooruitgang
0% voltooid

Zowel in het model van van Gelder als van Galan wordt in eerste instantie gekeken naar de beginsituatie en het beginniveau van de deelnemers. Daar stem je de les of training op af. Het nut hiervan is drieledig:

Vaststellen van leerbehoefte en leerbaarheid

Hoe hoger het niveau waaraan je les of training geeft, hoe beter de deelnemers zelf hun leerbehoefte kunnen aangeven. Beginnende zeilers weten vaak nog niet wat ze moeten weten en kunnen, ze zijn dan onbewust onvaardig. Het zou kunnen dat ze hierdoor niet begrijpen dat ze überhaupt iets te leren hebben, maar vaker is het bij beginners zo, dat ze juist erg twijfelen of soms zelfs bang zijn omdat ze niet weten wat hun te wachten staat. Allemaal belangrijk om te weten hoe de deelnemers erin zitten voordat je je les of training begint. Begin je les daarom met een overzicht van wat ze kunnen verwachten van de les, welke stappen er genomen gaan worden en wat ze op het eind van de les kunnen.

Onbewust Onbekwaam, bewust onbekwaam, bewust bekwaam, onbewust bekwaam
Model van Maslow

Bij semi-gevorderden kan het voorkomen, dat ze het idee hebben het al te kunnen of te weten en daardoor niet open staan om nog iets te leren. In dat geval zijn ze ook onbewust onvaardig. In deze situatie zal er ook weerstand zijn die je eerst uit de weg moet zien te krijgen, voordat het zin heeft om iets uit te gaan leggen. Een vervelende manier om ze dit in te laten zien is beginnen met de opdracht waarmee je de les wil eindigen er vanuit gaande dat ze dit (nog) niet zal lukken. Wanneer de deelnemer dan zelf ook ziet dat het nog niet lukt, dan is de kans groot dat de weerstand verdwijnt omdat hij/zij bewust onvaardig wordt. Het nadeel is natuurlijk dat diegene dan voor de groep faalt, wat niet altijd even leuk is voor de deelnemer. Wanneer de groep collectief faalt op zo’n opdracht, dan kan dat een oplossing zijn. Kijk wel uit dat er geen schade wordt gevaren aangezien ze een opdracht uitvoeren waar ze dus nog niet klaar voor zijn.
Een andere manier is zorgen dat je als autoriteit wordt gezien. Wanneer ze jou als instructeur of trainer nog niet kennen, kan het helpen om bij het voorstellen toch even goed te noemen waarom jij daar staat en wat je achtergrond in zeilen is. Of het laten zien, een goed voorbeeld kan sowieso helpen om het doel van de les scherp te zetten. Je bepaald dan als het ware de lat en geeft een goed beeld van wat de bedoeling is en wat de opdracht inhoud.

Hieronder de theorie van Maslow over motorisch leren verder uitgewerkt met de verschillende fases waarin leren plaats vindt. Dit helpt je om je les of training goed af te stemmen op de fase waarin de deelnemers zich bevinden.

Ver gevorderde zeilers nog iets leren?

Een veel voorkomend probleem bij het lesgeven aan hogere niveau’s is dat er soms deelnemers zijn die de motorische handelingen beter beheersen dan de instructeur of trainer. Daar kan je onzeker van worden, maar ook nu kan het model van Maslow uitkomst bieden. Zeker wedstrijdzeilers of in ieder geval zeilers met een hoger niveau hebben handelingen al zo vaak gedaan dat ze geautomatiseerd zijn. Zij zitten dan in de fase van Onbewust vaardig. Het nadeel van deze fase is, dat je de vaardigheid misschien goed beheerst, maar stap voor stap uitleggen wat je nou precies doet, is dan gek genoeg erg lastig omdat je er niet meer over nadenkt. Die fase is ook hard nodig om op hoog niveau te kunnen presteren. Doordat de meeste handelingen geautomatiseerd zijn, is er ruimte in het hoofd om na te denken over andere zaken zoals de wedstrijd tactiek, samenwerking met bemanning of het reageren op de wind en de golven.
Door een kandidaat in deze fase te vragen naar de stappen waaruit een handeling bestaat, zal diegene daar veel moeite mee hebben en zal mogelijk daardoor opnieuw open staan om te leren, zeker wanneer deze ambities heeft om instructeur of trainer te worden.
Door een dergelijke kandidaat te vragen of hij de handeling kan uitleggen aan iemand die het nog niet (goed) kan, sla je twee vliegen in 1 klap, zij zijn dan beide aan het leren op hun eigen niveau en heb je je handen weer even vrij om de rest aandacht te geven. Dit kan helpen bij het niveau differentiëren.

Gebruik maken van voorkennis

In veel opvattingen over lesgeven wordt gewezen op het beginnen van de les met een korte terugblik of herhaling van de vorige les. Daar kan je naar vragen of een oefening uit laten voeren. Dit is goed om de opbouw in de lessenreeks expliciet te maken en natuurlijk het geheugen weer op te frissen, maar het helpt je als instructeur of trainer dus ook om het beginniveau goed vast te kunnen stellen, hoeveel is blijven hangen en op welk niveau. Zeker als de les voortborduurt op al aanwezige kennis of vaardigheden, is het belangrijk om goed te weten of en in welke mate deze (nog) aanwezig is.

Daarnaast zou je kunnen denken aan niet per se zeil-gerelateerde voorkennis. Zoals bijvoorbeeld algemene kennis over Natuurkunde wanneer je een les Koppels en Krachten geeft waarbij je gebruik maakt van begrippen zoals vectoren, krachten en ontbinden van vectoren. Wanneer deelnemers natuur- of wiskunde hebben gehad, is de kans groter dat deze begrippen al bekend zijn, en zo niet, dan weet je dat je daar meer aandacht aan moet besteden aan het begin van de les. Ooit gaf ik training aan instructeurs waarbij er een aantal op de TU-delft zaten en dagelijks bezig waren met natuurkunde op hoog niveau. Die hadden iets meer uitdaging nodig, dan de gemiddelde instructeur. Het is prettig als je dat van te voren weet en je daar op voor kan bereiden, anders heeft je voorbereiding weinig zin gehad. Stap alleen niet in de valkuil dat je altijd graag boven de stof wil staan met een dergelijke doelgroep, dat leg je bijna altijd af. Maar het is interessant om tijdens je les hun expertise in te zetten om te kijken of je met elkaar de lesstof ook voor de andere deelnemers nog duidelijker kan uitleggen. Je geeft daarmee de hogere niveau’s ook het aanzien en waardering voor wat zij al weten. Als zij niet die kans krijgen, kunnen ze de les gaan verstoren omdat ze afhaken. Ook hier heb je het dus weer over niveau differentiëren maar ook over het bepalen van het juiste uitdagingsniveau daar gaan we nog even wat dieper op in.

Bepalen van het juiste uitdagingsniveau

Deze stap is belangrijk voor het vertalen van de lesstof naar opdrachten en oefeningen die afgestemd zijn op het juiste niveau van de deelnemers met als doel om ze optimaal te motiveren en gemotiveerd te houden. Deze aanpak is uitgebreid beschreven in de Flow Theorie, oorspronkelijk ontstaan uit de zoektocht naar geluk, waarbij het antwoord is gevonden in het uitvoeren van haalbare uitdagingen. We kennen allemaal het effect waarbij je na lang oefenen van een manoeuvre op een gegeven moment zo geconcentreerd bezig bent en de boot een verlengstuk van je lichaam lijkt te worden dat je helemaal in de flow zit en alles ineens lijkt te lukken. Nu blijkt deze theorie dus ook perfect toepasbaar te zijn op zeilen en wanneer je dit op de juiste manier in je training verwerkt kan het de motivatie en het leerrendement flink vergroten.

Op dit TEDx filmpje verteld de onderzoeker zelf wat Flow precies inhoud en hoe het werkt. Hieronder doe ik een poging om een vertaalslag te maken naar het geven van zeilles en training.

Samengevat zijn de kernmerken van iemand die in de flow zit als volgt:

  1. Extreme concentratie en doelgerichtheid
  2. Een duidelijk doel komt naar voren
  3. Verlies van zelfbewustzijn waarbij men zich geheel focust op de activiteit en zichzelf vergeet
  4. De activiteit is intrinsiek belonend, hij is bijvoorbeeld heel erg leuk
  5. Een duidelijk gevoel van controle over de situatie en/of activiteit
  6. Een gevoel van uitdaging waarbij het wel haalbaar is (niet te moeilijke, maar ook niet te makkelijke bezigheden)
  7. Directe feedback: succes en falen zijn direct duidelijk, zodat men daarop het eigen handelen direct kan aanpassen
  8. Verlies van tijdsbesef waardoor de tijd voorbij vliegt

Er zijn twee factoren die je als traineren kan beïnvloeden om de kans dat de deelnemers in de flow raken te vergroten.

  • Het creëren van een haalbare uitdaging
  • Het zorgen voor directe feedback

Haalbare uitdaging

Het is de truc om in de oefening die je bedenkt net voldoende uitdaging te verwerken dat ze dit alleen succesvol kunnen uitvoeren, wanneer zij de oefening regelmatig hebben geoefend en goed geconcentreerd zijn. Bij tweemans zeilen zal ook de samenwerking optimaal moeten zijn.
Door stapsgewijs de lessen op te bouwen en de oefening steeds moeilijker en uitdagender te maken, zorg je ervoor dat ze gemotiveerd blijven en de oefening niet onhaalbaar wordt. Zie het als een spelvorm, waarbij de deelnemers ook elkaar kunnen uitdagen en er een wedstrijdje van kunnen maken wie het eerst de oefening echt onder controle heeft.
Uitdagingen kunnen zitten in de sterkte van de wind die je opzoekt, de ruimte waarbinnen gezeild wordt beperken, de snelheid waarmee de deelnemers handelingen moeten verrichten vergroten.

Directe feedback

Deze feedback gaat nu even niet om jouw feedback als trainer, maar met feedback wordt hier gedoeld op de feedback die de deelnemers krijgen van hun boot, de eventuele bemanning en de omgeving waarin zij bezig zijn. Daarom werkt dit ook zo goed bij zeilen, aangezien een zeilboot heel direct feedback geeft. Maar ook de feedback van de wind en het water zijn van belang. Je moet alleen wel leren dit goed te voelen. Daar gaan dan ook veel oefeningen over in de opbouw van de training naar de grote finale uitdaging.

Daarnaast gaat het om de feedback van de omgeving. Wanneer je de setting van de oefening zo kan maken, dat bij elke fout die ze maken, ook direct het effect merkbaar zal zijn, dan versterkt dat de concentratie en daarmee is de kans dat de deelnemers in de flow raken ook weer groter. Hoe groter de risico’s hoe hoger de concentratie en dus ook de mate van flow wanneer deze bereikt wordt. De kunst is natuurlijk om zelf wel zeker te weten dat de deelnemers de oefening aan kunnen, niet alleen omdat ze anders de moed verliezen maar ook omdat de kans op schade groot kan zijn. Wederom een goede reden om de opbouw in de training goed te waarborgen. In het schema van de Flow theorie wordt er dan ook gesproken over een verband tussen het vaardigheidsniveau en de mate van uitdaging, beide moeten goed in balans zijn om in de flow te kunnen komen.

Experience Fluctuation Model – Flow – Csikszentmihalyi

Het zal misschien niet altijd lukken, maar als je als trainer hierop gefocust bent en steeds een beetje bij probeert te sturen om te kijken of het al lukt om de deelnemers in de flow te brengen, steeds een beetje meer vaardigheid leren, beter meer uitdaging, dan zal je zien dat het op een gegeven moment lukt, bij een goed afgewogen training zal je dit moment richting het einde van de les kunnen bereiken zodat de beloning voor al het harde trainen voor de deelnemers heel groot is. Ze zullen het jammer vinden dat het voorbij is en staan te trappelen om de volgende les. Als je te vroeg piekt in je les, dan is het lastig om die mate van beloning vast te blijven houden en kan de motivatie snel wegvallen. Vaak is de wind hier ook van invloed. Met weinig wind is een extra uitdaging om nog voldoende uitdaging te bieden aan de deelnemers. Maar je ziet het al, ook jouw skills als trainer worden uitgedaagd en ook jijzelf kan dus in de flow komen. Vaak gaat dit samen op met de deelnemers. Het is vreemd als zij niet in de flow zijn en jij wel. Maar nu wordt het ingewikkelder dan nodig. Vooral niet al te veel over nadenken op het moment zelf, weet alleen waar je op moet letten en waar je wel invloed op hebt.

Enige disclaimers en waarschuwingen: de keren dat het echte lukte om dit effect te beïnvloeden en te bereiken met de deelnemers is lastig en lukt niet altijd. Je zal merken dat je zelf als trainer ook in de flow moet komen en goed geconcentreerd moet zijn. Maar als het lukt, hou dan je deelnemers goed in de gaten. Ze kunnen door dit effect alle besef van tijd, vermoeidheid, honger, dorst, onderkoeling of blaren volledig kwijt zijn.

Wil je hier meer over weten? Er is op deze site een uitgebreid stuk geschreven over deze theorie toegepast op het trainen van gevorderde zeilers.